Met die woorden begint cabaretier, publicist, programmamaker, neerlandicus en kleinkunstkenner Jacques Klöters zijn wekelijkse column op Facebook. Laat ik vandaag ook eens met die woorden beginnen. Ik moest vanochtend denken aan de zogenoemde slootvismiddag in de Eempolder, georganiseerd door het IVN. Een middag waarop volwassenen en kinderen, gewapend met schepnetten, loeppotjes en zoekkaarten, gezamenlijk ontdekken dat er inderdaad leven in water zit. Kunnen we dit vergelijken met onderzoekers die onlangs op een afgelegen plateau in Angola tientallen nieuwe diersoorten ontdekten? Natuurlijk niet. En toch ook weer wel. Want ook hier trekken mensen enthousiast het water in, op zoek naar iets dat gezien, benoemd en afgevinkt kan worden. Niet zomaar kijken, maar determineren. Niet zomaar verwonderen, maar registreren. De sloot, ooit gewoon een sloot, is daarmee gepromoveerd tot activiteit. Je ziet het voor je: een groep volwassenen die zich buigt over een plastic bakje water alsof zojuist buitenaards leven is aangetroffen, terwijl het in werkelijkheid een licht nerveuze waterkever betreft die vermoedelijk liever ergens anders was geweest. En dan die zoekkaart. Misschien wel het mooiste symbool van onze moderne verhouding tot de natuur. Een menukaart van het leven zonder verrassingen. Alles heeft alvast een vakje gekregen. Dit is een larve, dat een nimf en dat daar valt voorlopig onder: ongewervelden. Misschien zit daar wel iets merkwaardigs in. We vertrouwen de natuur pas echt wanneer we haar hebben gevangen, gesorteerd en onder een loep gelegd. Pas wanneer ze stil genoeg ligt, vinden we haar interessant. Na afloop gaat iedereen tevreden naar huis. De sloot blijft achter. Een beetje leger misschien. En een beetje stiller. Alsof ze zelf ook een educatieve middag heeft gehad.

