De windmolens van Isselt in Amersfoort hebben iets bijzonders. Ze zijn nog niet gebouwd, maar ze draaien nu al volop. Niet met groene energie, maar met bestuurlijke energie. En die levert vooral veel warme lucht op. Soest heeft namelijk gezegd: prima idee, die twee reusachtige windturbines van 242 meter hoog mogen er komen. Een prachtig gebaar. Vooral omdat de molens niet midden op het dorpsplein van Soest worden neergezet. Het is altijd makkelijk enthousiast zijn over iets als je vooral de voordelen in een rapport ziet en de wieken niet letterlijk boven je slaapkamerraam hoort zoeven. Amersfoort zit met het echte klusje. Daar moeten de turbines komen, daar moeten de inwoners en ondernemers worden uitgelegd waarom een soort Eiffeltoren met propeller straks het landschap bepaalt. Soest kijkt ondertussen vanaf een veilige afstand toe en zegt: „Wij nemen onze verantwoordelijkheid.” Een zin die bestuurders graag gebruiken als ze bedoelen: „Wij hebben een besluit genomen waar vooral iemand anders de gevolgen van merkt.” De bewoners nabij Isselt zien het anders. Zij kijken niet naar een klimaattafel met cijfers, maar straks mogelijk naar twee enorme draaiende reuzen langs de Eem. Voor hen is een windmolen geen abstract symbool van duurzaamheid, maar een industrieel gevaarte dat dag en nacht in beeld kan zijn. Het meest bijzondere is misschien nog dat één van de molens met zijn wieken over Soester grondgebied komt. Natuurlijk moeten we verduurzamen. Maar de energietransitie heeft inmiddels een bekend probleem: iedereen wil schone stroom, zolang de schoonmaakploeg maar bij de buren staat. Misschien kunnen Soest en Amersfoort samen een compromis sluiten. Zet de molens precies op de grens. Dan kunnen beide gemeenten zeggen: ‘Hij staat niet bij ons’. En ondertussen waait de wind gewoon door. Alleen de politieke wind lijkt voorlopig de meeste herrie te maken.


