Soest is enthousiast over het nieuwe stembiljet. Het papier is kleiner, het tellen zou overzichtelijker zijn en kiezers hoeven geen enorm vel meer uit te vouwen. Vooruitgang, zou je zeggen. Maar er is één verandering die veel meer aandacht verdient dan het formaat van het papier: de kandidaten staan niet meer op het stembiljet. Wie op een kandidaat wil stemmen, moet eerst op een aparte kandidatenlijst opzoeken welk nummer bij die persoon hoort. Vervolgens moet dat nummer worden onthouden of overgenomen op het stembiljet. Dat is niet alleen omslachtiger, het keert ook de logica van stemmen om. Eerst zie je de persoon op wie je wilt stemmen en daarna maak je je keuze. Nu krijg je een nummer en moet je er zelf een naam bij zoeken. Dat lijkt een detail, maar dat is het niet. Het stembiljet is het moment waarop een kiezer zijn keuze vastlegt. Juist daar hoort de informatie te staan die nodig is om die keuze te maken. Waarom zou je de namen van kandidaten verwijderen om vervolgens naast het stemhokje een tweede document nodig te hebben? Bovendien creëert die constructie nieuwe mogelijkheden voor vergissingen. Een verkeerd nummer is immers een andere kandidaat. De kiezer kan nog zo zorgvuldig zijn: hoe meer stappen je aan een eenvoudige handeling toevoegt, hoe groter de kans dat het misgaat. Natuurlijk zijn minder papier en eenvoudiger tellen aantrekkelijke voordelen. Maar efficiëntie voor de organisatie mag niet automatisch zwaarder wegen dan duidelijkheid voor de kiezer. En dan is er nog de merkwaardige redenering: Soest moet nu alvast wennen, omdat heel Nederland dit systeem mogelijk vanaf 2029 krijgt. Maar wennen is geen argument om een systeem kritiekloos te omarmen. Een stembiljet moet vooral één ding zijn: ondubbelzinnig. Niet klein om het klein zijn, maar duidelijk voor degene die ermee moet stemmen.



