Autobesitas

0
Conclaaf

Column

De nieuwe Fiat 500 is weer gegroeid. Zes centimeter breder, zes centimeter langer, twee centimeter extra wielbasis. Een soort fitnessprogramma, maar dan zonder zweten. Gewoon een beetje aankomen en het ‘vooruitgang’ noemen. Hij blijft nog nét onder de vier meter. Dat schijnt belangrijk te zijn. Psychologisch, vermoed ik. Net zoals mensen die zeggen dat ze ‘bijna geen suiker meer eten’ terwijl ze hun derde koekje pakken. Onder de vier meter voelt nog als een stadsauto. Alles daarboven is blijkbaar een morele grens. Maar goed, groter dus. Autobesitas zoals mijn collega Ernst Detering vorige week in zijn scherpe column voor Eemland1 de opgepompte carrosserieën duidde. Neem de garage van de massale doorzonwoningen die in de jaren ’60 zijn gerealiseerd. Een auto had toen nog ongeveer de omvang van een optimistische koelkast. Nog even en zelfs een Fiat 500 modeljaar 2026 past er net niet meer in. Tenzij je hem diagonaal parkeert en de spiegels inklapt. Via het schuifdak ontsnappen kan altijd. Voorlopig dan. 

Dus zetten we de auto op straat. Logisch. De straat was immers ooit bedoeld voor… verkeer, spelende kinderen, een praatje met de buurman maar vooral voor stilstaande objecten van anderhalve ton. Tegen betaling. Want als iets niet meer past, moet je er geld voor vragen. Dat is beleid. En laten we eerlijk zijn: we hebben die grotere auto’s ook écht nodig. Voor al die momenten dat we een kast vervoeren. Of een boom. Of een complete verhuizing. Die ene keer per jaar dat we denken: zie je wel, goed dat ik geen kleine auto heb. De andere 364 dagen gebruiken we hem om lucht te vervoeren en een boodschappentas die ook prima op de fiets had gepast. Steden proberen er nog iets van te maken. Parkeerplaatsen kleiner, tarieven hoger, hier en daar een boom terug. Soms zelfs een speelplek. Heel gewaagd. Alsof de openbare ruimte ook voor mensen bedoeld is. Je moet er niet aan denken dat kinderen weer op straat gaan krijten zonder eerst een parkeerapp te raadplegen. Ondertussen blijven auto’s groeien. Elk nieuw model een paar centimeter erbij. Onschuldig, zeggen ze dan. Wat is nou zes centimeter? Dat merk je toch niet? Nee. Totdat je er honderd naast elkaar zet in een straat die niet is meegegroeid sinds de Beatles nog in de hitlijsten stonden. Dan merk je het ineens heel goed. Vooral als je er tussendoor moet lopen met een kinderwagen, een hond of een restje levensvreugde. We zijn dus niet zozeer ruimte tekortgekomen. We hebben gewoon besloten die ruimte anders te gebruiken. Minder voor leven, meer voor stilstaan. En dat doen we heel efficiënt. Met steeds grotere objecten. Misschien is dat wel de echte vooruitgang: dat we erin geslaagd zijn om stilstand steeds meer ruimte te laten innemen. En dat we daar ook nog voor betalen.